Een IP-adres (Internet Protocol-adres) is een numeriek label dat apparaten en diensten op een netwerk uniek identificeert zodat gegevens kunnen worden verzonden en ontvangen. IP-adressen zijn onmisbaar voor routing, servercommunicatie, beveiliging en analytics binnen web- en softwareontwikkeling.
Basisprincipes
- Adressering: IP-adressen wijzen bronnen en bestemmingen aan voor netwerkpakketten.
- Routing: Routers gebruiken IP-adressen om verkeer door netwerken en het internet te leiden.
- Naamsresolutie: DNS vertaalt domeinnamen naar IP-adressen (en soms via reverse DNS een IP naar een hostname).
Soorten IP-adressen
- IPv4: 32-bit (bijv. 203.0.113.42), ~4,3 miljard adressen, veelgebruikte notatie met vier octetten.
- IPv6: 128-bit (bijv. 2001:db8::1), enorm adresbereik, nodig om IPv4-schaarste op te lossen; ondersteunt moderne features zoals SLAAC.
- Publiek vs. privaat: Publieke IP's zijn wereldwijd routeerbaar; private IP's bestaan binnen lokale netwerken (RFC1918: 10.0.0.0/8, 172.16.0.0/12, 192.168.0.0/16; voor IPv6 o.a. ULA fc00::/7).
- Statisch vs. dynamisch: Statisch verandert niet (handig voor servers/whitelists), dynamisch wordt periodiek herverdeeld door ISP of DHCP.
Belangrijke begrippen
- NAT (Network Address Translation): Vertaalt private naar publieke IP's, maakt delen van één publiek IP mogelijk.
- CIDR: Notatie voor subnets en blokken (bijv. 192.0.2.0/24, 2001:db8::/32), gebruikt voor routing en firewallregels.
- Reverse DNS (rDNS): Koppelt een IP aan een hostname; relevant voor e-mailreputatie en troubleshooting.
- Geolocatie: Schatting van locatie op basis van IP; nuttig voor personalisatie en fraudepreventie (niet 100% nauwkeurig).
